Twee weken geleden hebben we Burkina verlaten om even terug te keren naar ons geliefde Mali, meer bepaald om naar Le Festival au Desert te gaan in Essakane, ten westen van Timboektoe.
We zijn vertrokken in Bobo, hebben zonder problemen de grens overgestoken en zijn in é;é;n trek doorgereden naar Sé;varé;. Ondertussen kennen we de weg! Daar kampeerden we weer in auberge Canarie met de gratis wifi, hihi.
De volgende dag pikten we Dara op. Dara, de gids van de Dogon. Hij had immers toen gezegd, als jullie naar het festival gaan, zou ik heel graag meerijden. Wij hebben nog een plaatsje vrij, dus waarom niet. We belden hem op en spraken af in Sé;varé;, want daar weten wij zijn ouders wonen. Dara was dolenthousiast. Ook hij was nog nooit in Timboektoe geweest.
We gaan op pad en passeren Douentza. We stoppen hier even om inkopen te doen. Terwijl Gert en Dara naar de markt gaan, maak ik een praatje met een man die net terug is van Timboektoe. Hij zegt dat de piste er heel goed bijligt, dat ze die speciaal voor het festival opgekalafaterd hebben. Hoop en al drie uur rijden, beweert hij. Goed nieuws, want volgens de Lonely Planet is het acht uur rijden. Pak nu nog dat het vier uur is, dan nog hebben we genoeg tijd om vandaag nog in Timboektoe te geraken.
Douentza laten we achter ons en we nemen de piste naar Timboektoe. Dè piste naar de legendarische stad! Ik ben in mijn nopjes en Gert ook!
Als we onderweg stoppen om iets te eten, valt het Dara op dat we veel groenten eten en ook dat we onze handen wassen met zeep. Hij vindt dit alles zeer belangrijk. Hij wil vooral dat het Malinese volk beseft hoe belangrijk dit is. ‘Slechts de laatste jaren maakt de staat publiciteit voor het wassen met zeep’, zegt hij, ‘vooral via de radio.’ Dara is er zo gemeend mee begaan, ongelooflijk vind ik dat. Het is me zelf al opgevallen dat er overal langs de kant van de weg grote plakaten staan ter preventie van aids, met welsprekende tekeningen, het eerste land waar we dit zien.
Het landschap wordt steeds woestijnachtiger en is vooral zeer verlaten.
Op een bepaald moment beseffen we dat we Timboektoe niet meer zullen halen voor het donker is. We passeren een kampement, maar Dara stelt voor door te rijden tot aan de bac, de overzetboot over de Niger. ‘Daar zullen we zeker kunnen kamperen,’ zegt hij, ‘en anders rijden we nog door tot Timboektoe. Het is niet ver meer.’ Waarom weet ik eigenlijk niet, maar we volgden zijn raad op. In de pikkendonkere reden we in een bocht bijna de dijk af, de rivier in. Uiteindelijk kwamen we aan bij de bac en wat bleek: de bac vaarde niet meer, pas morgenvroeg om zes uur! Logisch eigenlijk, ‘t is donker! Daar stonden we dan, samen met een groep Italianen die razend waren op hun gids. Bushcampen kan je wel vergeten, je zit op een dijk, links en rechts water en op de dijk stalletjes en hutjes van de ‘bacmensen’. Dara vond het daar echter prima. Hij wou dat we ons als eerste auto zette om morgen de bac op te rijden en daar dus gewoon onze tent opendoen. Dat zagen wij echter niet zitten: morgen om zes uur holderdebolder moeten inpakken, iedereen ophouden die snel op die bac wil, kwade chauffeurs en tussen de kraampjes en mensen, nee danku. We zeiden tegen Dara dat we tijd hadden, dat we toch niet perse die eerste bac moeten hebben. Uiteindelijk hebben we ons naast een familie gezet, met toestemming van de man des huizes, net naast de weg, ietsekes rustiger. Dara mocht, met toestemming van de imam van het bacdorpje, ergens mee in een tent slapen. Hij vond het allemaal dik in orde. Voor ons werd het die avond en de volgende ochtend een kiekeskot, een zottekot, een duivekot of beter gezegd een kindercrèche. Alle backinderen volgden nauwgezet elke beweging die we maakten. De poppenkast was open. Hadden we maar gewoon rustig gebushcamped en niet naar Dara geluisterd. Mensen hier begrijpen echter niet waarom je niet bij mensen wil slapen en waarom wel helemaal alleen in het donker in een bos. Ze willen ook altijd eerst aan de bac of aan een grens ofzo zijn, terwijl het daarna vaak veel rustiger is.
‘s Morgens kijkt Gert nog even de vooras na, omdat er iets is beginnen rammelen na die piste. Dat was voor de kinderen hellemaal feest natuurlijk. Dan draaide ik onze kraan open om af te wassen en stoven ze weer naar mij. Zo ging het heen weer. Wie het interessantste deed, had de kinderen.
Als we met alles klaar waren, namen we rustig de bac. Zalig, een uur op de boot, vind ik wel leuk‘
Na de bac bleek het nog 14km asfaltweg naar Timboektoe. Verder dan we dachten. Al goed dat we dat de dag voordien niet in het donker nog gedaan hadden.
Daar zijn we dan, in Timboektoe. Bouba wacht ons op en brengt ons naar zijn familie, naar Salim, de neef van Zenabou. Ze hebben een eenvoudig, maar proper huis, vier kamers, woestijnzand op de grond en een binnenkoer met een tent. Het lijkt ons dat dit gezin het beter heeft dan Zenabou. Wij staan met onze tent op de duin naast het huis. Dara krijgt binnen een plekje. We mogen het toilet, anex douche gebruiken en ten allen tijde rustig op een mat op de koer thee drinken. ‘s Nachts gaat de poort wel op slot, dus ophouden tot ‘s morgens of een putteke graven ☺ De mensen laten ons hier wel met rust. Misschien omdat we bij Salim horen?
Salim vertrok net met toeristen op kamelentocht, dus die hebben we niet veel gezien. We leren Claudia kennen, een gekke Duitse madam, die ooit geld gegeven heeft voor een operatie voor Salim en daarom nu uitgenodigd is door de familie voor het festival.
‘Uitnodigen’, dat is een woord dat al voor veel misverstanden gezorgd heeft tussen culturen:
Salim had Claudia uitgenodigd. Claudia had gezegd: ‘Alleen als ik een goedkoop vliegticket vind, kom ik.’ Salim zei: ‘Als jij tot in Timboektoe kan komen, dan zorg ik voor de rest.’ Claudia vond een goedkoop ticket en kwam af. Ze wist niet dat het festival 130 euro kost. Salim zou het vervoer regelen. Dat deed hij, maar niet met publiek transport, nee, hij huurde een 4×4 voor Claudia en nog twee mensen. Heen en terug zou dit 230 euro kosten, 77 elk dus. Er ging nog een hoop volk mee met de 4×4, Toearegs, familie. Zij kunnen dit niet betalen, dus iedereen gaat ervan uit dat de drie blanken betalen. Claudia had dit alles niet verwacht en wist niet goed wat te doen. Ik had met haar te doen, ze was zo fier dat ze uitgenodigd was‘
Dara krijgt van ons een lift. Wij denken hem hiermee een groot plezier te doen. Al gauw blijkt dat hij geen geld heeft, dat hij dus een week lang zal mee eten met ons. Op zich geen probleem, maar het is allemaal zo onduidelijk. Er wordt niet over gepraat, er wordt niets gevraagd, er wordt vanuitgegaan. Is het omdat wij hem ‘uitgenodigd’ hebben?
Toen we in Timboektoe aankwamen, hadden we honger. Bouba zei dat we wat verder in een restaurantje konden eten. Het was toeristisch, dus niet goedkoop. Bouba, Dara, Gert en ik aten er. De rekening komt, niemand mouved, er wordt vanuit gegaan dat wij betalen. Ik ben eigenlijk een beetje slechtgezind. Zelf koken en anderen eten geven, vind ik niet erg, maar de rekening op restaurant betalen, vind ik nog anders. Later zal dit nog eens voorvallen, dan wisten we het al wel en dan konden we de rekening delen met nog enkele nieuwe Belgische vrienden.
Later regelt Bouba publiek vervoer naar het festival voor twee vrienden en vraagt aan hen of het goed is dat Dara met hen mee gaat, zo kan hij met ons mee om de weg te wijzen. Geen enkel probleem, maar weer blijkt dat ervan uitgegaan wordt dat de twee blanken voor Dara betalen.
Bouba helpt ons wel weer om onze weg te vinden in Timboektoe, is het daarom dat hij ervan uitgaat. Evengoed betalen we hem stevig voor een dag als gids, om hem een plezier te doen.
Waar ligt de grens, wat wordt in ruil verwacht voor wat? Voor wat hoort wat? Onduidelijkheid. ‘Uitnodigen’, wat betekent dat woord en wie nodigt wie uit? Of is het gewoon de blanke betaalt? Ik begrijp het niet en ben er wat teleurgesteld in. Op den duur lijken wij geldfreaks, wat echt niet is. We willen gewoon niet met ons laten sollen. Bouba, Dara, gewoon even vragen en niet ervan uitgaan, zou voor mij al veel betekenen.
Bouba heeft ons dus gegidst door zijn geliefde Timboektoe. Hij voerde ons langs drie moskees (niets in vergelijking met die van Djenne), langs de huizen van ontdekkingsreizigers, langs een museum met oude manuscripten (superinteressant!), langs de tent en waterput van Bouctou, stichtster van Timboektoe (geloof ik geen snars van), langs een museum met oude dagdagelijkse voorwerpen van de Toearegs (leuk!), langs de grote markt (eigenlijk klein) en langs de kleine markt (waar is die?).
René; Caillié; had gelijk, Timboektoe, de gouden stad, stelt niets voor. Het is puur een mythe‘ Het is er zelfs heel vuil, vuiler dan Djenne (sorry, Bouba). In heel de stad zag ik é;é;n vuilbak, de rest ligt op straat. Maar hé;, we kunnen wel zeggen dat we in Timboektoe geweest zijn! En dat vind ik toch eigenlijk echt wel tof. Wat wel heel speciaal is aan de stad, is dat ze echt zo afgelegen ligt, 200km piste van de asfaltweg en op de rand van de woestijn. Salims huis ligt echt al in de duinen. Naast zijn huis zijn enkel nog tenten van nomaden.
Een historische noot voor de liefhebbers:
*In het jaar 1000 was er een vrouw, Bouctou (betekent grote navel), die zich settelde naast een waterput. Alle handelskaravanen, van noord naar zuid en van oost naar west, passeerden hier. Bouctou lette soms op spullen van de nomaden, die dit op de terugweg weer oppikten. Zout kwam uit het noorden en werd geruild voor goud, slaven en ivoor dat uit het zuiden kwam. Nu nog steeds vertrekken er dagelijks karavanen met kamelen om zoutplakken te gaan halen in Taoudenni, midden in de woestijn. Het is een trip van ongeveer een maand heen en terug. Die mannen zitten 15 tot 18 uur per dag op hun kameel, eten en slapen erop. Ze eten dadels, apennoten, gedroogd geitenvlees en rijst. Ben je ziek? Pech, je moet verder, geen andere keuze.
In het museum in Bouctou kan je de oorspronkelijke tent met bed en de waterput (die nu droog staat) van Bouctou zien. ‘Altijd bewaard geweest door de familie,’ zeggen de mensen. Ik vind dit echter zeer ongeloofwaardig! ‘t Ziet er mij allemaal nogal nieuw hout uit! Ik kan wel geloven dat het de plaats is waar de waterput was, maar meer toch niet, hoor!
*Vanaf de 14de eeuw werden er islamitische scholen opgericht in Timboektoe. Timboektoe was toen zeker een geletterde stad. Er zijn ongeveer 5 miljoen manuscripten bewaard gebleven! De oudste dateren van de 12de eeuw. De reden waarom ze zo goed zijn bewaard is dankzij het droge klimaat en doordat ze in familiekring bleven. Wij hebben é;é;n archief bezocht waar ze manuscripten restaureerden. Je vindt er korans, boeken over biologie en astrologie, poë;zie, familiegeschiedenissen van soms 400 jaar‘ Sommige manuscripten komen van Granada toen in 1492 de moslims verdreven werden uit Andalusië;. Superinteressant! De gids in het museum was erg gedreven en fier op hun werk!
*In de 15de eeuw is Timbouctou een rijke stad, maar vanaf de 16de eeuw gaat het achteruit, vooral sinds de Europese schepen een deel van de handel overnamen van de karavanen. In de 18de eeuw is Timboektoe in handen van de Songaï, begin 19de eeuw overheersen de Fula (Peul), eind 19de eeuw de Toearegs. Is die stad dan eigenlijk wel van de Toearegs, zoals zij zelf beweren?
*Timboektoe wordt ook de stad van de 333 heiligen genoemd. De graven liggen deels op een kerkhof, deels in de stad, deels op privé;gebied. ‘Hoe weten ze dat het er 333 zijn?,’ vraag ik aan Bouba. ‘Euh, er zijn mensen, die dat kunnen weten, die zich daar mee bezig houden.’ ‘Aaah!’
*René; Caillié; was een arme Franse jongen die in het begin van de 19de eeuw leefde. Hij hoorde dat de Franse staat veel geld zou geven aan de eerste Fransman die Timboektoe zou bereiken en ook levend kon terugkeren. Voorgangers waren immers vermoord en hebben nooit de geheimen van Timboektoe thuis kunnen navertellen. René; bereidde zich een jaar voor. Hij bestudeerde de islam en vermomde zich als moslim. Hij bereikte Timboektoe en werd binnengelaten door de imam en aanvaard, omdat hij moslim was. Hij keerde terug naar huis en vertelde dat Timboektoe helemaal geen gouden stad was, dat er niets speciaals aan was. De Fransen waren teleurgesteld en stopten zijn verhaal in de doofpot. Na enkele jaren overleed René; aan een ziekte.
In Timboektoe leren we Dieter, Leen, Mariska en Karlien kennen, vrienden van Maïka die ook afkwamen voor het festival. Keileuk om nog eens te kunnen babbelen en van mening te kunnen wisselen met gelijkgezinden, over ‘uitnodigen’ enzo. Bouba, Leen, Mariska en ik trokken nog eens naar de stad, terwijl Gert nog wat aan de auto werkte. Ik vond het reuzegezellig in de stad onder meiden (en Bouba 😉 We kochten samen een hoop groenten op de markt en maakten de afspraak dat we op het festival samen zouden koken, voordelig en gezellig! Toch gemakkelijk afspreken met Vlamingen! Ieder betaalt een deel, we koken samen en wassen samen af!
En dan dus hop naar het festival, naar Essakane! Los zand voor 70km, Salim rijdt voor, Bouba zit bij ons. Gert aan het stuur en het gaat geweldig! Gert vindt het zelfs plezant!
Na drie uur komen we veilig aan en installeren ons op een duin, onder een boom, dichtbij de andere overlanders. We zien Jonnie en Sanna hun Defender al staan! Via hun website wisten we dat ze hier zouden zijn. We hebben hen ontmoet in Chefchaouen, Marokko. Gedurende de drie festivaldagen kletsen we bij, wisselen we info uit. Blijkt dat zij ondertussen Matt en Anna en ook Roxy en Steve hebben leren kennen. De wereld van overlanders is klein.
In de namiddag kon je op een duin naast het hoofdpodium genieten van echt traditionele muziek. En wat liep er ook rond? Een Franse fanfare! Tof eigenlijk! Amateurs die voor het plezier naar hier kwamen. Die kunnen dus zeggen dat ze op Le festival au Desert gespeeld hebben. Ze amuseerden zich rot. We hebben een cd gekocht. Tja, daar moet je dan voor naar Mali komen! Lang geleden, dat we niet konden afbieden! We zijn ook een Toeareg tegengekomen die op Sfinks was geweest! Sfinks wordt trouwens vermeld als supporter.
‘s Avonds kwamen de bekende ‘moderne’ groepen. Wel echt Toearegmuziek, maar met elektrische gitaren enzo. Er waren ook een paar internationale groepen, bijvoorbeeld van Mauretanië;. Normaal gezien ging Zap Mama komen de laatste avond, maar ze zijn niet komen opdagen! Dat vonden we zo spijtig! Dat had echt graaf geweest, een Belgische groep op Le Festival au Desert! Maïka, die als vrijwilliger werkte, moest voor Zap Mama zorgen, als ze aankwamen. Tot het laatste moment hebben we hoop gehad, maar ze hebben hun kat gestuurd. Spijtig, het zou ook wel een leuke afwisseling geweest zijn tussen al die Toearegmuziek. Die muziek is wel tof, hoor. We zijn er echt van gaan houden, maar drie dagen is wel veel!
Enkele namen van het programma: Salif Keita, Tinariwen, Tartit, Imarhan, Desert Blue.
Salif Keita is een albino, die als kind erg gepest en buitengesloten werd. Hij keek op naar de griots, de zangers van de familiegeschiedenissen. Hij begon zijn gevoelens in de muziek te leggen en voici, hij is nu megaberoemd. Laat die pesters van toen, maar een poepie ruiken, Salif!
Een anekdote over Tinariwen en mezelf: de eerste dag zei een man in het publiek: ‘Als je wil, mag je een foto van mij trekken, hoor.’ Hij had gewone kleren aan en was geen knapperd, dus ik vroeg verontwaardigd: ‘Pourquoi?’ ‘Ok, dan niet,’ zei hij, ‘geen probleem.’ Iets later komt Maïka eraan en zegt: ‘Hé;, dat zijn die gasten van Tinariwen!’ Tja.
Tartit is de enige vrouwengroep. Ze komen dan ook volop op voor de vrouwen. Veel Toearegvrouwen en kinderen hebben we daar trouwens niet gezien!
Desert Blue is samengesteld uit drie groepen, reeds enkele jaren, speciaal voor het festival. De artiesten komen uit drie verschillende etnische volkeren. Wat absoluut niet vanzelfsprekend is hier in Mali!
‘s Avonds werd het berekoud in de woestijn. De dekens en tulbanden verkochten goed! Gelukkig hadden wij al een bedoeïenendeken! Ze staken gezellig warme manden met kolen aan op de toeschouwersduin. De duin fungeerde wat zoals een amfitheater. Volgens Gert is die duin wel verplaatst binnen enkele jaren. Het podium is echter van beton. ‘Wat zullen ze dan doen?’ vraagt Gert zich af. Iedereen die een kameel had, keek vanop zijn kameel naar het podium. Gemakkelijk, hoog en droog! Een grappig zicht!
Wel mooi, hoor, die Toearegs in hun traditionele kledij op hun kamelen tussen de duinen. Bij de opening van het festival defileerden ze é;é;n voor é;é;n voorbij het podium: in galop met wapperende kleren en getrokken zwaard. Vrouwen die hen toejuichen met het typerende tonggeluid (‘kweet nie hoe ik dat moet beschrijven!).
Tijdens de dag zaten we veel bij ons kapementje. Het werd een gezellige ontmoetingsplaats, voor ontbijt, koken, thee, een glaasje wijn. Ik vond dat echt tof! Iedereen die we kenden kwam wel eens langs!
Le Festival au Desert, het was een hele ervaring, het was tof en gezellig, maar het was geen 130 euro waard. We hadden niet echt het woestijngevoel. De helft van het volk was blank. Een uitspraak van Bouba: ‘Ge vindt hier niemand terug! Iederé;é;n is hier blank!’ Nochtans was er veel minder volk dan anders, want onder andere de Amerikaanse ambassade zou het afgeraden hebben, omdat het te gevaarlijk zou zijn in Noord-Mali en de Amerikanen luisteren nogal goed naar dat advies.
Eigenlijk was het een festival zoals bij ons, maar dan met kamelen en zand en slecht georganiseerd. Er waren bijvoorbeeld geen vuilbakken! Drie dagen veel mensen die kamperen, is veel afval! Voor 130 euro mogen ze wel een vuilbak kopen, vind ik. Enfin, blijkbaar was er geld tekort, want er was ook slaapplaats te weinig, zelfs voor de artiesten. Een grote Amerikaanse sponsor had afgehaakt. Zijn we misschien te kritisch? Hebben we al teveel gezien? Zijn we verwend?
Het domein heeft geen hek ofzo, maar wordt langs alle kanten bewaakt door militairen. Zij houden overal een oogje in het zeil. Zo zeggen ze vriendelijk tegen sommige onnozele toeristen in bikini, dat ze hun kleren moeten aandoen.
Een politieverhaal: Maïka haar gsm was gestolen. Ze informeert de politie. Die vindt hem terug bij kleine gasten. Ze krijgt hem terug, maar zonder batterij en zonder simkaart. De politie: ‘We kunnen ons onderzoek eventueel wel verder zetten, maar dat vraagt tijd en moeite enzo. Dat kost toch wel wat.’ Maïka wou absoluut haar simkaart terug voor telefoonnummers enzo en betaalt dus de politie. Onmiddellijk krijgt ze de kaart. De batterij niet, die zullen ze zelf kunnen gebruiken of verkopen, want originele vind je hier niet, enkel Chinese namaak.
Ondanks alle kritiek, hebben we ons wel heel goed geamuseerd, hoor. Wie geïnteresseerd is, kan een kijkje gaan nemen op www.festival-au-desert.org
Oorspronkelijk was het festival een jaarlijkse bijeenkomst van Toearegs om hun tradities samen te vieren. Sinds 2001 hebben ze hun deuren geopend. Ik vraag mij af hoe lang de Toearegs nog gaan blijven komen. Dit heeft nog weinig te maken met hun tradities mijns inziens.
De dag na het festival vertrekken we op het gemakske. We geven Bouba een lift tot Timboektoe. Dara heeft zelf vervoer geregeld en gaat naar de Dogon met Mariska en Karlien. Wij rijden verder richting bac. Eindelijk terug onder ons tweetjes. Ik geniet ervan. Aan de bac staan ongeveer 15 auto’s in de rij. Er kunnen er 10 op é;é;n bac. Wachten dus, maar we hebben tijd. Plots zien we Leen daar terug. Leuke verassing!
Gert en ik besluiten die nacht te slapen in het kampement 35km van de bac, aan de overkant. Als we eraan komen, vraagt die man een belachelijk hoge prijs en we mogen ook niet zelf koken, bovendien is hij niet echt vriendelijk. Hij weet maar al te goed, dat er verder niets is en het begon al te schemeren. Ik was teleurgesteld, voelde me net Jozef en Maria. Het zag er zo gezellig uit. Ik had er naar uit gekeken. Maar onze trots won, we reden verder en hebben gebushcamped. Geen ziel gezien, lekker rustig, zowel ‘s avonds als ‘s morgens.
De volgende dag zijn we tot Douentza gereden en kampeerden daar in een leuk kampement. We ontmoeten er een Nederlands jong koppel, die misschien nog naar de Dogon wilden. We geven Dara’s telefoonnummer!
Onze volgende uitstap is een tip van Jonnie en Sanna: een gloednieuwe piste door Pays Dogon, door de bergen dus, langs dorpjes, van Douentza naar Bandiagara en dan via Djibongo naar Bankas. Ze hadden gelijk, het was PRACHTIG. De Dogon is zo mooi! Ik vind het onvoorspelbaar. Je komt bijna geen auto’s tegen, tot plots een tegenligger, een overlandtruck, een Belgische nummerplaat! De man vraagt: ‘Flamand ou Wallon?’ ‘Flamand, et vous?’ ‘Wij ook!’ Een babbeltje gedaan en weer verder gereden.
We sliepen in Djibongo, een Dogondorp. Het kampement stelde echter niet zoveel voor. Er was niet veel water voorhanden, zoals overal in de Dogon. Omdat we een hoop was op het dak hadden liggen (Saharawasmachine), die moest gespoeld worden, reden we de volgende dag verder naar Bankas. Daar zijn we nu, een rustig stadje en een heel gezellig kampement!
Morgen steken we de grens over in Koro, weer naar Burkina. Normaal zullen we overnachten in Ouahigouya. Daar zullen we proberen de blog te updaten om vervolgens richting Nouna (west Burkina) te rijden. Daar werkt Jonas aan een project. Hem hebben we leren kennen net voor we vertrokken, op het feestje van Poco a poco. Dat zijn onze plannen, ‘t kan natuurlijk altijd veranderen!

Lang geleden dat we nog eens echt in de stilte van de natuur gezeten hebben. We genieten met volle teugen. Na een uur of twee stappen, komen we aan de grotten van de Tellem. Het zijn kleine huizen gebouwd tegen de wand van de rots. Om ze te bereiken moet je kunnen klimmen of vliegen. De Tellem, ook wel Pygmeeë;n genoemd door de Dogon (omdat de huisjes zo klein zijn), zijn weggetrokken toen de Dogon zich daar vestigden. Ze zijn een mysterieuze legende, maar de huizen zijn er echt. Nu worden de huizen gebruikt als graftomben voor belangrijke Dogonmensen. De lijken worden dan met touwen omhoog gehesen. Anje, Hil, the little people woonden vroeger dus hier!
Na in totaal drie uur stappen, komen we aan in Koundou, het dorp van Dara’s familie. Dara is eigenlijk zijn achternaam, Motié; is zijn voornaam. Iedereen in het dorp is Dara. Dara betekent ‘zij die hoog wonen’. De huisjes zijn van leem. Elke familie heeft een stuk of drie graanschuurtjes, waar allerlei in bewaard wordt, eigenlijk hun keukenkast. In de kast staat ‘miel’, het basisvoedsel hier, een graan, asse, daar maken ze door een chemische reactie met water een saus van en voor de rest waren ze eigenlijk leeg. Men kookt op open vuur in een heel grote ketel, want het zijn heel grote families. De bevolking is te jong, want de jonge mannen zoeken vaak hun geluk elders, dus teveel kinderen in verhouding met de volwassenen. De vrouwen verbouwen kleine stukjes land, maar er is te weinig water. Zelfs drinkwater is zeer schaars. De vrouwen dalen elke ochtend naar beneden af om water te halen en daarna dus terug naar boven met een paar kilo’s water op hun hoofd! Ze gaan ook om de vijf dagen naar de markt in Sanga. Dat is de weg die wij afgelegd hebben, drie uur, 12 km, ‘s morgens heen, ‘s avonds terug, met waren op hun hoofd! Je leest het goed, ik heb het hier telkens over de vrouwen. De mannen zitten hier op hun lui gat. Oh ja, é;é;n keer in het jaar halen ze de graanoogst binnen. De vrouwen stampen deze fijn in hun stamper. Natuurlijk zorgen de vrouwen ook voor de kinderen en het eten. Deze vrouwen zijn ijzersterk! De hulporganisaties werken dan ook altijd met de vrouwen samen.
Een historische noot voor de liefhebbers:
Motié; Dara
Jeune Touré; en Veerle
En dan heb je Boubacar, de wever. De meest fantastische man die we ontmoetten Chez Baba! Hij zit daar rustig op de koer met zijn weefgetouw te weven. Hij heeft een kraampje, maar spreekt niemand aan. Hij weeft gewoon. We leren hem kennen, babbelen regelmatig met hem. Hij spreekt niet over verkopen of ‘pour le plaisir des yeux’ ofzo. Nee, hij geeft uitleg over zijn weefkunsten, vertelt over zijn familie. Hij vraagt welke nationaliteit we hebben. ‘Nous sommes des Belges.’ Hij kijkt op, een brede lach verschijnt, zijn ogen schitteren. Hij haalt een foldertje tevoorschijn van het Zuiderpershuis in Antwerpen, waar hij in staat met foto en al. Het was een project waarbij een hele groep kunstenaars, muzikanten e.d. van Mali voor enkele weken naar België; kwamen. Hij heeft er lesgegeven in het weven aan een volgens hem heel gemotiveerde groep mensen. Hij vertelt dat hij er zo’n fantastische tijd beleefd heeft, dat de mensen zo vriendelijk waren voor hem, dat hij niets heeft moeten betalen, dat hij voortdurend uitgenodigd werd om bij mensen thuis te gaan eten. ‘Sindsdien,’ zegt hij, ‘heb ik mezelf voorgenomen, dat als ik in Mali Belgen leer kennen, ik ze ga uitnodigen bij mij thuis om te komen eten.’ En zo belanden wij de volgende dag voor het middagmaal bij hem thuis, in zo’n lemen huisje. Uiteraard was het eten met de rechterhand, allen uit é;é;n grote schotel. Nu weten de meesten onder jullie, dat ik al heel veel in mijn leven, in veel verschillende landen, met mijn handen gegeten heb. Jullie weten ook dat dat voor mij geen enkel probleem is. Deze keer echter moest ik moeite doen om niet te kokhalzen. Hoe lief deze mensen ook zijn, ze aten echt vies. Ze kneden een megagrote bol rijst en saus. Ze openen hun mond wagenwijd, proppen de bol erin, lekken hun hand af en smakken erop los. En dan de kers op de taart! Toen ik gedaan had met eten, duwen ze zo’n bol in mijn hand, zo’n bol gekneed met hun afgelekt hand. Ik zeg: ‘Nee, danku, ik heb genoeg.’ ‘Jamaar, dat is hier de gewoonte. Als je stopt met eten, geeft iemand je nog een bol.’ Ik heb geprobeerd mijn gezicht niet te vertrekken en heb met afschuw de bol naar binnen gewerkt‘ En Gert? Die zag dat gebeuren en heeft snel zijn handen gewassen na het eten. Zo hadden ze geen kans om hem ook een bol te presenteren. Gelukzak!
We bezoeken natuurlijk ook de toeristishe trekpleisters van Djenne (maar dan zonder gids!): de wereldberoemde lemen moskee, een graftombe uit de 9de eeuw van een geofferd meisje en het huis van de traditionele chief. Het stadje op zich is echt heel bijzonder. Het is een klein stadje, je bent zo rond en alles is uit leem, huizen en straten. Het stort is overal naast de rivier en het zijn open riolen in de straten. Kippen en geiten lopen binnen en buiten. Voor mij zijn dit de middeleeuwen.
Spijtig genoeg heeft het toerisme hier in Djenne niet veel goeds gedaan. Veel mensen, groot en klein zijn agressief tegenover toeristen. Een kind bokste in mijn buik en daarna lachten ze ons uit. Verkopers achtervolgen ons: ‘Madame, collier? Madame dit? Madame dat? Bon prix, madame!’ ‘Non merci, non merci, non merci!’ ‘Madame, bé;bé;? 1 euro!’ en een jong meisje steekt een baby onder mijn neus. Huhhhh???!!!
Voor we doorrijden, bezoeken we het huis van Ton. Het is een camping geworden. Gert is heel teleurgesteld. De droom is niet meer.
Een historische noot voor de liefhebbers:
Hier begint dan ons Dogonavontuur. Een fantastisch avontuur! Een ongelooflijke ervaring, é;é;n om niet te vergeten. Supertof!
Moest er iemand geïnteresseerd zijn. 
Wat ook gewoonweg fantastisch was, was tabaski, het offerfeest, dat we gevierd hebben bij Gaoussou’s familie.
Enfin, wij dus helemaal opgedirkt naar het feest. Gaoussou, de man des huizes, houdt zich bezig met het slachten, in stukken snijden en grillen van het schaap. Zijn vrouw maakt saus klaar, wast af e.d. Wij hebben fruitsla à la Maïka gemaakt. Goussou vond het heel raar dat Gert mee kwam fruit snijden. Dat is vrouwenwerk. Iedereen kon er hartelijk om lachen en Bouba hielp op den duur ook mee. Maïka legde uit dat wij ons niet op ons gemak voelen als anderen werken en wij lui in een stoel zitten. Ze begrepen het wel. Leren van elkaar, hé;!
Vandaag vouwden we de kaart open van West-Afrika, samen met Bouba en Moussa. Het ging over de belachelijke landsgrenzen in de Sahara, die het toeareggebied doorklieven. We denken dat ze er indertijd om gedobbeld hebben en dat Algerije goed gespeeld heeft ☺
We hebben een fantastische tijd beleefd in het huis van Dirk aan ‘la petite côte’, ten zuiden van Dakar, Senegal. Met Sylvaine en Sheik (niet Cher dus, zoals wij dachten, sorry) en zijn broers. We hebben 1 2 3 piano gespeeld met het zoontje van Sylvaine en een hoop volwassenen. Lachen! Met enkele vrouwen van het batikken hebben we een gezelschapsspelletje gespeeld met apen die niet mogen vallen. Hilarisch! Anje en Hil, ik moest denken aan die vrouwen in de hamam in Damascus en aan het lepelverhaal in Bosra.
De grensovergang tussen Senegal en Mali was geweldig! Niemand (!!!) heeft geld gevraagd. Er was wel é;é;n agent die toch even polste of hij niet é;é;n van de fietsen cadeau kreeg van Roxy en Steve, maar hij drong niet aan. Misschien besefte hij zelf dat dat een belachelijk groot cadeau is! We moesten wel in de grensstadjes, langs beide kanten, zelf op zoek gaan naar de verschillende bureautjes om alle papieren in orde te krijgen, paspoorten, carnet etc. Die lagen namelijk niet naast elkaar, maar waren in verschillende straten en er was niets aangegeven. Rondvragen is dus de boodschap. De mensen waren echter heel vriendelijk, zeker aan de Malinese zijde! Hier was er ook geen enkel probleem voor de carnet. Een goed begin! Aan de Senegalese kant was er wel een agent kwaad op ons, omdat we voorbij waren gereden. We hadden hem echter niet gezien. Hij zat ver van de kant en zijn plakkaat was omgevallen. Kunnen wij toch niets aan doen! Ze kunnen daar echt niet tegen, die agenten, als je per ongeluk voorbij rijdt!
Onderweg gaven Gert en ik een lift aan een man, die 200 km verder zijn verloren schapen ging ophalen. Ze hadden hem gebeld, dat die gevonden waren. De man was een peul, een bekend herdersvolk hier.
De volgende dag nemen we afscheid van onze nieuwe Zuid-Afrikaanse vrienden. Zij rijden verder noordwaarts. Wij volgen Maïka naar haar huis. Kirsten is ook gelukkig, want vlak voor wij vertrokken, arriveerden er vier Duitsers, die wij trouwens ook eerder al hebben ontmoet, maar niet zo heel tof vonden.